AWE x Lisa Weeda – 4.Canastra

Canastra

20 Juli 2017,  Rio de Janeiro, Brazilië  –  deel 4 van de 9-delige verhalen reeks.  

Een van de toegangswegen naar de favela is een grote lift, die vanaf een centraal punt in de wijk Ipanema naar de morro leidt. Vanuit de levendige, vlakke, geasfalteerde en schoongepoetste wijk vol eettentjes, hippe meubelzaken, sneakerwinkels en surfshops, loop ik een straat in waar een rij kroegen ligt, waaronder de Canastra-bar, die overal op internet hoog aangeschreven staat. Elke vrijdagavond staat het er overvol met jonge zakenlui, die met zoveel zijn dat ze niet op de stoep voor de kroeg passen en dus op straat bier en cocktails staan te drinken. De bar bevindt zich op de rand van het asfalto en grenst aan de favela. Verderop, dieper de straat in, voorbij de kroegen, wordt het stiller, rustiger. Daar is een overdekt platform, waar je rechts naar de metro en links een brede lift in kan. In de lift past makkelijk vijftien man.

Eenmaal boven loop je door een lange ijzeren gang. Soms staat er aan het einde van de gang, net voor je de smalle stegen van de favela in kan lopen, een jongen aan een tafel met daarop uitgestald: cocaïne. De jongen is een lookout. Vaak zijn lookouts jongens van een jaar of zestien, zeventien, achttien. Ze dragen een walkietalkie in hun zak en hebben een oordopje in hun oor. Via de walkietalkies communiceren lookouts met andere lookouts, die verspreid door de hele wijk op stenen muurtjes, trappen en op daken zitten. Het zijn jongens in voetbalshirts met korte broeken, die joints rollen en rustig oproken. Een lookout groet de voorbijgangers. Hij staat er overigens ook als er geen cocaïnetafel is. Het is niet altijd dezelfde jongen, er zijn verschillende. Als je vaker langsloopt en ze je kennen, maken ze een kort praatje, schijnt. Dat laatste zal me in de korte tijd dat ik hier ben niet overkomen, voor een gezellig praatje moet ik me langer in de wijk bewegen. 

Ik blijf deze avond beneden. Van een afstand kijk ik naar de meisjes en jongens in de kantooroutfits. Ze praten luidruchtig met elkaar. De ene jongen is nog afgetrainder dan de ander, de meisjes dragen strakke witte blouses onder hun blazers. Aan de overkant van de straat zitten bewoners van communidade PPG op strandstoelen naast koelwagens, die ik herken van zomers op het strand in mijn jeugd. Je kan de koelwagen van boven openschuiven. Sommigen hebben een parasol bevestigd op hun kar of hebben een prijslijst tegen de zijkant van de kar geplakt. Heineken of Budweiser. Ze dragen voetbalshirts, korte rokjes van dun katoen, trainingspakken en soms een spijkerbroek, sneakers. Ik sta naast Iris op straat. Precies tussen de bar en de verrijdbare bierkoelingen in. De bewoners van PPG kijken me aan en kijken dan rustig naar de borrelende mensen, gehesen in hun kokerrokken, hun gladgestreken lichtblauwe overhemden, achterovergekamde haren. Ik kijk naar de moccasins van de jongens, de hoge hakken van de meisjes, de dure horloges om hun polsen, de gouden oorbellen. 

In de middag zaten Iris en ik aan een tafel in een restaurant met een Nederlandse vrouw die al jaren in Rio de Janeiro woont. Een kennis van Iris. Het gesprek was in eerste instantie gemoedelijk, Nederlands. Met een vleugje humor, met wat droge grapjes. Iris en ik vertelden haar over de favela, over Iris’ dagen op de Solar-school, de kinderen, de wijk. Ik vertelde de vrouw over mijn eerste dagen, over de blije kinderen die ik sprak, hun glimlachen, over hun groen-witte schooloutfits, over de boksschool en de heerlijke lunch bij Tia Maria een dag eerder. De vrouw vroeg of we lunchten in de favela. Iris en ik knikten. Of het niet gevaarlijk was, vroeg de vrouw. Ik zei dat het na de lunch wat gekker was geworden, met de politiepatrouille, maar dat alles erg rustig was.
‘Ze stelen hoor.’zei de vrouw toen opeens. Ze sneed een stuk kip in haar Caesar Salad resoluut doormidden en keek ons al kauwend strak aan. ‘Ik had er een die loog.’

Even kan ik niet volgen wat ze zegt, het klinkt alsof ze over een object praat, iets wat ze in een winkel heeft aangeschaft, waarna er een onderdeel bleek te missen.
‘U had er een?’
‘Een huishoudster. Die wilde meer geld. Ze vroeg erom. Ze zei dat haar kind ziek was. Longontsteking.’
Ze pauzeert, wacht tot we iets vragen, maar we vragen niets.
‘Was niet zo! Ze had de gasrekening nog niet betaald! Nou. Ja. Dat had ze toch ook kunnen zeggen, waarom zou je daar nou over liegen? Wie liegt er nou om zoiets?’
Ik vroeg haar of ze weleens boven was geweest. Ik wees richting de heuvels.
‘Boven?’
‘Ja, in de comunidade?’
‘Nee nee,’ zei de vrouw. ‘Nee, nooit, in de dertig jaar dat ik hier leef niet.’
Iris nodigde haar vervolgens uit om op zaterdag met ons mee te gaan, naar het hoogste deel van de wijk, om daar spelletjes te doen met kinderen en met ze te lunchen. De echte wijk te zien. De vrouw snijdt wat in haar salade, denkt na, stemt in.

Eenmaal boven loop je door een lange ijzeren gang. Soms staat er aan het einde van de gang, net voor je de smalle stegen van de favela in kan lopen, een jongen aan een tafel met daarop uitgestald: cocaïne.

Het lijkt of er een spiegelende wand tussen de groep aan de ene kant van de straat en de groep aan de andere kant van de straat in staat. Zo’n soort glasplaat als in verhoorkamers bij de politie. De spiegelende kant van de wand is naar de zakenlui gericht. Zij zien alleen zichzelf. De kant van het glas waar je doorheen kan kijken, bevindt zich aan de kant van de bierverkopers uit de favela. Zij mogen toekijken. Net zoals ze vanuit hun huizen over de Copacabana in de verte kunnen kijken, en over het Ipanema-strand, waar ik in de ochtend naast een groep expats met een vrije ochtend zat, die hun kinderen naar surfles brachten. Terwijl de kinderen op hun surfboards, compleet ingepakt in nieuwe wetsuits, een eerste golf probeerden te pakken zonder om te vallen, vloog er een helikopter voorbij die boven PPG rondjes bleef maken.

‘Wil je een biertje?’ roept een man naast een koelwagen naar ons. ‘Je kan hier ook pinnen, dat is wel twee reais duurder. En het kan even duren met de internetverbinding van de automaat.’

Iris en ik stappen door de spiegelende ruit naar de andere kant van het glas. Ik reken twee biertjes af en proost met Iris. Ik weet niet aan welke kant van de straat we moeten staan. Ik weet niet of ik naar de overkant van de straat moet lopen, zoals ik de jonge zakenlui net heb zien doen, of dat we hier moeten blijven staan. Er is geen midden in deze stad. Het lijkt of alle nuance is weggezogen. Alsof er alleen zwart en wit is. Arm en rijk. Heuvel en vlak land.

WIL JE ELKE ZONDAG EEN NIEUW VERHAAL IN JOUW INBOX?