AWE X Lisa Weeda – 5. Gouden spijlen

VERHAAL 5: GOUDEN SPIJLEN

21 Juli 2017,  Rio de Janeiro, Brazilië  –  deel 5 van de 9-delige verhalen reeks.  

In de wijk Copacabana zijn alle appartementen omheind. Ook Iris woont in zo’n appartement op nog geen minuut afstand van de hoofdweg van de comunidade. Er is veel van marmer in het appartement, alles is schoongeveegd, opgeruimd. Het trappenhuis glimt, de vloeren ook. In de hal zit een porteiro: een man achter een tafel met daarop twee televisieschermen. Op de ene televisie bekijkt hij bewakingsbeelden van het gebouw en op de andere televisie kijkt hij voetbal, soaps of het nieuws. Hij draagt een uniform, vaak in de kleur blauw of lichtbruin. Het is ochtend, ik wacht op Iris in de hal en luister naar een gesprek tussen een bewoonster en de porteiro. De vrouw draagt een handtas om haar arm, een lichtblauwe blouse, bootschoentjes, nette make-up.
‘Bom dia, tudo bem?’
‘Sim! Tudo bem?’ 
De soap speelt op de achtergrond, de bewakingsbeelden van de gangen en het trappenhuis tonen niemand. 
‘Ciaoooo.’
De vrouw tikt hem kort op zijn schouder en loopt dan de deur uit. De taal sleept achter haar tongval aan, alsof haar ciao als een stuk kauwgom in haar mond begint en ze de gom langzaam met twee vingers langs haar tanden uit haar mond trekt. Tot Iris beneden in de hal staat, kijk ik mee met de soap, waarin een vrouw huilend op de bank ligt en zich vastklampt aan een te gespierde man. We zijn vrij vandaag. We gaan een dag niet naar PPG, we gaan naar andere delen van Rio. Als we de porteiro gedag zeggen, probeer ik de ciao van de oude dame na te bootsen, maar kom niet verder dan iets wat klinkt als een jankende hond.

‘They talk bad about this city,’ zegt een dame als we oversteken naar een supermarkt om koffie te halen. Ik ben, wachtend tot het stoplicht op groen springt, met haar in gesprek geraakt, nadat ze me een compliment maakte over mijn sportschoenen. Wit met roze Nikes, waarvan de zolen inmiddels besmeurd zijn met de modder en het stof van de favela. Modder en aarde die er hier, rondom de Copacabana, steeds weer afslijt, tot ik weer naar boven loop, de hoofdweg of de trappen van de comunidade op. Voor ik het weet heeft het vrouwtje haar arm in de mijne gehaakt en schrijden we samen over het zebrapad. Ze heeft een chique zonnebril in haar haren en een glimmende handtas aan haar arm.
‘They should see it themselves,’ antwoord ik. ‘Your city is mesmerizing.’

het meisje dat ons de tour geeft en al heel haar leven in Rocinha woont, vertelt hoe je pink wordt afgehakt als je iets steelt van iemand uit de comunidade. ‘Dan ga je naar de Don,’ zegt ze, ‘en dan krijg je je straf. Een pink is niet zo erg hoor, dat geldt meer als een waarschuwing.

Er is iets fysieks dat nergens zo werkt als bij de Brazilianen. Aanraking is normaal, gewoonte, hoort bij de communicatie. Zo is het ook met de kinderen uit de comunidade, met de mensen in de restaurants waar we eten. Ze leunen dicht over me heen, de kinderen trekken zich naar me toe, moeders omhelzen me en geven me zoenen op mijn wang, mannen leunen even op mijn schouders met hun handpalmen. Alles in de stad is fysiek. Mensen kijken me van top tot teen aan, erkennen heel mijn lichaam, scannen me, in de comunidade en in de wijk Copacabana. Het fysieke is ook aanwezig in hoe de wijken tegen elkaar aan gepropt zitten. Het asfalto vlijt zich tegen de morro aan, rijk tegen arm. Op de top van PPG, waar een provisorisch avonturenpark is aangelegd, is een rots vanwaar je over de wijk Ipanema heen kan kijken. Vanuit het armste deel van de favela kijk ik uit over een groot meer en over alle skyscrapers die Ipanema rijk is. De stad glinstert onder me. Boven me cirkelen gieren heen en weer tussen de verschillende hoogste punten van verschillende comunidades. Ik betrap mezelf erop te denken: wat een rijkdom, dit uitzicht. Na een aantal dagen wandelen door de wijk, weet ik wat de schaduwkant van het gezicht van deze plek is. Rio de Janeiro grijpt je bij je arm en laat je niet meer los. Op alle manieren dringt de stad zich niet alleen aan mijn geest, maar ook aan mijn lichaam op. Ik voel me nietig in de stad, op de bergtop op het puntje van de favela, op het strand van de Copacabana, waar het water van de branding venijnig naar mijn enkels grijpt.

Als Iris me in de middag meeneemt op tour naar de comunidade Rocinha, kijken we op de top van deze gepacificeerde favela uit op een Amerikaanse privéschool met een zwembad en tennisbanen. Alle huizen om ons heen zijn fel van kleur. De wijk is prachtig. Barst uit zijn voegen als een opgetogen regenboog waar mensen in mogen wonen. Een jongen maakt samen met zijn vriendin selfies met het berglandschap achter hen, terwijl het meisje dat ons de tour geeft en al heel haar leven in Rocinha woont, vertelt hoe je pink wordt afgehakt als je iets steelt van iemand uit de comunidade. ‘Dan ga je naar de Don,’ zegt ze, ‘en dan krijg je je straf. Een pink is niet zo erg hoor, dat geldt meer als een waarschuwing.’

De jongen van de selfie vraagt haar of er in haar wijk ook al gentrification optreedt. Hij spreekt het woord langzaam voor haar uit, alsof ze een beperking heeft en hem anders niet begrijpt.
‘That the more rich come to live in your neighbourhood I mean, hipsters, artists.’
Het meisje kijkt hem opgewekt aan en haalt haar schouders op.
‘It is safe to live here, so, you are always welcome. Now, I will show you our house, we just built a second story on the previous one we had. We have a  great view of Rocinha.’
De moeder van het meisje laat ons binnen met een glimlach.
‘Mijn vader heeft dit ooit gebouwd,’ vertelt het meisje, terwijl ze ons alle hoeken van het kleine huis laat zien. ‘Toen was alles nog van hout. Nu doen we dat anders. Kom, ik laat jullie ons dakterras zien.’

We klimmen achter haar aan een trap op en staan na een dunne houten deur opeens op een dak dat over de hele favela Rocinha uitkijkt. Het meisje vraagt of ze een foto mag maken en of ze ons erin mag taggen op Facebook, voor haar internationale contacten. 

‘Ik wil ooit studeren in het buitenland, dan ken ik al mensen,’ zegt ze opgewekt.

Na de tour wandelen Iris en ik naar metrolijn vier, die via de gepacificeerde favela Rocinha richting rijkere wijken zoals Barra (zeg: Baha) rijdt. Daar zijn alle appartementen omheind. Er wonen expats, er zijn privéscholen. De tuinen zijn tot de millimeter aangeharkt. Als ik achter Iris aan door Barra loop, zie ik de mannen soms tussen het hek en de voordeur telefoneren, videobellen, onderuitgezakt op een stoel zitten, heen en weer ijsberen of achter de tafel met die televisieschermen hangen. De mensen op straat zijn witter, de auto’s zijn groter en minder gedeukt, de straten schoner. 

Er speelt housemuziek uit boxen die bij de strandtenten van Barra staan. Iris en ik zoeken een plek, bestellen twee Brahma-bier en trekken onze schoenen uit, wiebelen onze tenen in het zand. Om ons heen liggen mensen languit op loungebedden, ze drinken bier, eten purper gekleurd acai-ijs. De zee is rustig, het waait zacht. Vanaf de boulevard loopt een zwarte vrouw met vijf kinderen het strand op langs de strandtentjes en de lounge-area’s. Zij en haar kinderen houden kartonnen verpakkingen met snoeprollen in hun handen. Ze lopen langs bij de mensen die op de strandbedjes liggen. De mensen schudden hun hoofden en weigeren. De vrouw loopt verder. De mensen schudden hun hoofden en weigeren. De vrouw trekt een kind van nog geen drie achter zich aan. Het kind beweegt zich ongemakkelijk in het zand en trekt haar moeder richting de zee. De benen van het meisje zijn moe. Haar moeder trekt haar terug, naar de mensen die met hun kinderen zitten te spelen en wat eten, die ongemakkelijk naar de moeder en haar kinderen kijken. Nog voor ze bij mij en Iris is aangekomen, keert ze om. Ik voel een steen naar mijn maag zakken. Ik wil mijn portemonnee pakken maar twijfel te lang. De vrouw verdwijnt uit het zicht. Een man, die met zijn gezin een aantal meter van ons vandaan ligt, zucht hoorbaar. Even dacht ik dat Rio de Janeiro een groot ademend organisme was. Dat had ik fout. Het bestaat uit twee delen. Misschien wel twee zielen die ruw los zijn gesneden van elkaar.

In de avond, als we thuiskomen, zit dezelfde porteiro nog achter de twee televisies. Hij kijkt voetbal.
‘Hoeveel staat het?’ vraag ik.
‘Twee nul voor Rio,’ zegt hij, ‘twee nul voor ons.’

Auteur: Lisa Weeda, meer over Lisa en haar werk vind je op www.lisaweeda.nl