AWE X Lisa Weeda: De laatste dag

De laatste dag

1 augustus 2017,  Rio de Janeiro, Brazilië  –  deel 9 van de 9-delige verhalen reeks.  

Dag Rio.

Iris en ik maken een laatste strandwandeling. Oude mannen in te strakke en redelijk korte lycra zwembroeken paraderen langs de branding, dikke kinderen laten zich achterover vallen in de golven en schieten kirrend weer omhoog uit het water. Ik drink een koffie to go, Iris ook. De zon brandt op onze ruggen, de wind maakt mijn haren stug. Lange tijd kijken we zwijgend naar een totaal ingeoliede man en vrouw die fanatiek beachtennis spelen. De vrouw kreunt bij elke slag, zo hard, dat mensen die voorbij lopen geschrokken omkijken. Na elke slag trekt ze haar bikinibroekje nog iets verder omhoog, iets meer tussen haar billen. Een strandverkoper loopt voorbij.
‘Ik zie jullie kijken,’ begint hij met een brede glimlach, ‘willen jullie ook zo’n setje? Kost bijna niks, krijg je het balletje gratis.’
‘Não, obrigada.’
Ik zeg het minutenlang als een mantra tegen alle verkopers die na hem volgen en denk aan de vrouw op het strand in Barra. Aan hoe ze met haar drie kinderen achter zich aan bij iedereen op een loungebedje stopte met kartonnen doosjes mentos. Hoe ze zich met zachte stem richting de gezinnen met kinderen boog, die daar in de zon lagen. Die in de zon lagen op hun vrije dag. Ik zag ze een voor een hun gezicht afwenden. Ik denk aan de ouders van kinderen uit de favela, die in de huizen van deze gezinnen in Barra werken en soms wel vier uur per dag onderweg zijn van hun huis in de morro naar het huis in de rijke wijk en terug. Ik denk aan de vrouw in een tapasrestaurant aan de Copacabana met wie ik in gesprek raakte over haar verblijf in één van de hotels met uitzicht op het strand. We spraken Frans, Portugees en Engels door elkaar.
‘We komen hier elk jaar,’ zei ze. Haar man, gestoken in een roze overhemd zonder kreukels, schonk meer wijn in. ‘Mijn man woonde een tijd in Brussel, maar ik was hier niet weg te slaan. São Paulo is waar we wonen, maar we komen hier graag. Rio de Janeiro is een heel andere stad.’

Ik had inmiddels geleerd dat São Paulo meer als Parijs was opgebouwd: de rijke wijken in het midden, als het centrum van een ui, en in de rokken van de ui de buitenwijken en de banlieues.
‘Komt u ook wel eens boven?’
‘Boven?’
‘Ja, drie straten verder.’
Ik wees met mijn hand de hoek om en naar boven, richting PPG. Ik heb de afgelopen dagen de vraag aan velen gesteld: aan expats die zeggen dat Brazilië een bananenrepubliek is, aan mannen die me vertellen dat hun bonussen lange tijd werden uitgekeerd in de vorm van aandelen van bedrijven zoals Pepsi.
‘O, daar boven. Nee. Het is zo moeilijk die mensen te vertrouwen. Je geeft ze een vinger en ze nemen je hele hand.’
‘Iedereen die daar woont?’
‘Nee nee, meisje, maar ik heb wel veel verhalen gehoord hoor.’
Daarna lachte ze wat. Toen ik haar vroeg om meer verhalen over mensen uit de favela, wuifde ze me weg en begon ze over haar schoonzoon, die ook aan tafel zat. Ze haalde haar hand door zijn nette haren en trok hem tegen zich aan, kuste hem op de wang en bestelde nog een glas wijn. 

‘Nou, oke,’ zei ze. De rest van de tafel zweeg, terwijl ze verderging over de berovingen op en langs het strand van de Copa, zodra het begint te schemeren, dat je je leven niet veilig bent in Rio de Janeiro. Dat het, waar zij woonde in São Paulo, in ieder geval altijd veilig was, omdat het schorem niet zo dichtbij zat, maar naar de randen van de stad geduwd werd. Dat het gevaar daar niet zo mengde met de veiligheid.
‘Misschien is dat waarom we hier alleen af en toe komen, haha.’ 

Ik dacht weer aan de vrouw op het strand van Barra. Aan de kinderen op het voetbalveld op zaterdagmiddag, die kunnen glimlachen van de aarde tot de maan en terug, die niet je hele hand nemen, maar hun hele hand openen en die van jou erin leggen, die een extra taal leren om later niet alleen poolboy, maar ook hotelmanager te kunnen worden. Aan hoe de wijk kan steken en uithalen, aan hoe zoet en mooi de wijk kan zijn.

In de middag rijd ik achterin een Uber terug naar de airport. Het is bloedverziekend warm, ik heb mijn sweater al aan voor in het vliegtuig, waar ze de airco zo hard laten blazen dat ik er keelpijn van krijg. De Uber rijdt stapvoets. Het is druk op de rijbaan. Iris zit naast me en kijkt met me mee naar buiten. Naar de jongens die tussen de twee rijrichtingen in, tussen de vangrail, heen en weer lopen met schoonmaakdoekjes voor ruiten, met snoepgoed en grote zakken chips. Ze klimmen over de vangrail heen en lopen heen en weer tussen de auto’s, kloppen op raampjes, zwaaien naar taxichauffeurs, roepen naar elkaar. Ik kijk naar de schermen die tussen de autobaan en de wijk Zona Norte staan. Via grote openingen die zijn gemaakt in de schermen lopen jongens en meisjes in en uit. Achter hen zie ik de huizen die hun woonplaats vormen. Krottenwijken van rode stenen met grijs cement ertussen. Geen ramen. Waslijnen met gekleurde kleding eraan. Televisie-antennes, stroomkabels, vrouwen die op de stenen kozijnen leunend naar buiten kijken. En daarboven de vliegers.