Churrasco in de Favela



VERHAAL 6: CHURRASCO

31 Juli 2017,  Rio de Janeiro, Brazilië  –  deel 6 van de 9-delige verhalen reeks.  

Al dagen voer ik gesprekken over hoe ik de wijk binnenkom, hoe ik me moet gedragen en hoe ik de wijk weer uit kan als er iets mis gaat. Met elke stap extra die ik zet in PPG, voel ik het gewicht van het idee dat ik over een paar dagen weer vertrek op mijn schouders drukken. Ik ben slechts een toeschouwer in de favela, niet meer dan dat. Ik mag binnenkijken, wat dingen zien, en dan kan ik weer gaan. Soms moet ik denken aan twee zinnen van de schrijver Svetlana Alexijevits:er zit iets immoreels in het observeren hoe moedig iemand is en welk gevaar hij loopt’. Ik sta aan de zijlijn, ik leer wat de wijk behelst, kan praten met wie er woont, mag in sommige huishoudens binnen kijken, krijg een warm welkom van kinderen en hun ouders. Ik zie misschien een fragment van het echte leven hier in PPG, een honderdste, twee honderdste misschien. 

Een van die fragmenten is de uitnodiging van Adrienne om churrasco te komen eten in de comunidade. We zitten op witte kuipstoelen in een iets smallere straat in de favela, een aftakking van de hoofdweg. Churrasco is de naam voor gegrild vlees. Ik rook het vlees al een bocht voor we het restaurant bereikten. 

‘Eerst zat dit restaurant ergens boven op de berg,’ vertelt Adrienne. ‘Maar de business ging goed, dus nu zit het hier.’

Stijgen in rang is van de berg afdalen. Heel veel in deze stad lijkt in tegengestelde richting te gaan, al ben ik blij dat de jongen hier zit en meer ruimte heeft: meer grills om meer vlees op te draaien. Hoewel het zomer is in Nederland, is het hier winter. De zon is vroeg onder en snel waait er een wind, die onder je shirt kruipt, die ons doet afkoelen. We dragen vesten en ik draag weer een lange broek waar het oog van voorbijgangers soms aan blijft hangen. De wijk kent een vorm van sociale controle die me geruststelt. Ik leer de codes beter lezen. Elke dag dat ik er ben, leer ik begrijpen dat het gemoed van de mensen in de stegen en op de hoofdweg het gemoed van de wijk is. Het is een graadmeter van hoe het gaat. En hier, om ons heen, kijkt iemand af en toe naar mijn lange broek en zit iedereen voor de rest kalm onderuitgezakt aan een tafeltje. Het is een gezellige avond. Uit een soundsystem speelt muziek, vrouwen hebben zich mooi opgedoft en in kleurige, strakke jurkjes gestoken en hebben hun haren gedaan. Een meisjes voetbalelftal rent voorbij, ze halen elkaar in en roepen elkaar na, terwijl ze langs het restaurant komen en de straat inschieten die nog verder de favela in leidt. 

Iris, Adrienne en ik bestellen een caipirinha. De cocktail is nieuw voor mij, ik ken alleen haar verwante: de mojito. Na een eerste slok weet ik direct dat de caipirinha beter overeenkomt met Rio de Janeiro: zoet en zuur door elkaar. Niet alleen een fris randje suiker voor bij de alcohol, maar een zing die iets doet met je tong, je papillen, en dan nog een beetje suiker erna. 

De wijk omarmt en is venijnig tegelijk. Het is warm, gezellig, maar het venijn ligt ergens ook dichterbij het oppervlak dan in Nederland. De churrasco komt met een aantal spiesen per keer langs onze tafel, de jonge baas van de churrascaria, snijdt de stukken van de spies op onze borden. De rokerige geur van het vlees verspreidt zich tussen de tafeltjes, waar hardop wordt gelachen. We krijgen er een schaaltje chimichurri bij; de saus die traditioneel bij churrasco wordt geserveerd. Als ik een stuk vlees in de saus doop en een hap neem, is de smaak eerst rokerig, dan zout, dan scherp van de knoflook en daarna nog scherper door de pepers. Tranen springen me in de ogen. Adrienne en Iris lachen me uit, terwijl ik snel een slok caipirinha neem om de prikkende pittige smaak van de saus in mijn mond zo goed mogelijk te blussen. Even schaam ik me, dat ik zo’n slappe smaakontwikkeling heb ontwikkeld in mijn leven en weinig weerstand kan bieden tegen de hete smaak. 

‘Sorry, ik ben een softie,’ geef ik toe aan Adrienne, die haar telefoon pakt om wat foto’s te maken. Terwijl ik onhandig poseer met mijn glas in de ene hand en een stuk churrasco aan een vork in mijn andere hand, komt er vanuit de wijk Copacabana een auto de hoofdweg opgereden. Van de andere kant lopen drie jongens van onze leeftijd op dezelfde weg naar beneden, richting het restaurant en de smallere weg die daaraan verbonden is.  Ze willen oversteken als de auto hen nadert. De ramen van de auto zijn dicht, iets wat niet gangbaar is in comunidades. Daar rijd je met de ramen open de wijk binnen en met de ramen open door de wijk. De jonge lookouts, die werken voor de Don, moeten vanaf hun posten aan de voet van de wijk kunnen zien wie er binnenkomt, kunnen zien wie in een auto zit en dat de inzittenden geen kwaad in de zin hebben.

Als Adrienne een derde foto neemt en de jongen van de churrascaria voor de tweede keer langskomt met een spies churrasco, slaat er achter ons iets om. De bestuurder van de auto trapt hoorbaar op de rem en de jongens die net de straat over wilden steken, trekken twee pistolen en een machinegeweer uit hun rugtassen.

‘Draai de ramen open!’ roepen ze door elkaar. 

Ik kijk naar de jongens, die nu met hun geweren door drie autoraampjes tegelijk leunen en tegen de bestuurder en de inzittenden schreeuwen. Ze staan midden op de hoofdweg. We kunnen niet naar beneden. Wanneer ik om me heen kijk op het terras, zie ik niemand om mij heen dezelfde afweging maken als ik. De andere gasten lachen wat minder en zijn wat stiller geworden, maar staan niet op, lopen niet weg. Het machinegeweer ziet er raar uit terwijl hij het tegen de voorruit van de auto duwt. Ik voel me alsof ik voor het eerst in mijn leven iets uit een film in het echt zie, zoals ik ooit in New York een krantenjongen op een fiets een krant op een gazon zag gooien. Dit kan niet, dacht ik toen, dit bestaat alleen in de fictie. Terwijl ik naar de kalasjnikov in zijn handen kijk, en naar de mensen om me heen, voel ik me misselijk en kalm tegelijk. Als niemand rent, hoef ik ook niet te rennen denk ik.

Ze tikken op de motorkap van de auto en knikken naar de bestuurder. Die schakelt en rijdt verder de berg op. De jongens steken de straat over, richting het restaurant. Ze groeten wat mensen op het terras, zwaaien naar de jongens die naast de churrascaria een snoepwinkel hebben, waar ik diezelfde avond nog een lolly koop voor 0,50 reais. Hun geweren bungelen losjes in hun handen. De muziek gaat harder, het vlees wordt omgedraaid op de gril. Binnen twee minuten is het voorbij. Warm en venijnig liggen hier misschien wel naast elkaar. Als broeders, die van wacht wisselen, denk ik. Adrienne neemt nog wat selfies. Als ze naar de wc gaat en haar telefoon op de tafel laat liggen, nemen Iris en ik nog wat gekke foto’s met haar telefoon, als verrassing voor later. Mijn hele lichaam trilt, voelt rommelig, koud en warm, mijn handpalmen zweten, maar omdat iedereen zo normaal doet bij wat ze net gezien hebben, neem ik me voor dat ook te doen. De hoofdweg is vrij. We kunnen naar beneden.

In de avond, als ik mijn ogen sluit, zie ik steeds de jongen met de kalasjnikov voor me. Hoe hij het hele machinegeweer door het open raam aan de bestuurderskant duwt, zo richting de borst van de bestuurder. Hoe er tussen nul en honderd niets lijkt te zitten, hoe de kalmte gewoon van rol wisselt met het dreigende. Omdat ik niet kan slapen, pak ik mijn telefoon en lees ik verhalen over toeristen die door de navigatiesystemen van hun huurauto’s via verkeerde routes door de stad worden gestuurd. De wegen die hen worden aangeraden zijn weliswaar het snelst, maar niet veilig: ze lopen recht door ongepacificeerde favela’s. Hebben de toeristen hun ramen dicht en rijden ze naar binnen, dan is er de kans dat hun auto, met hen erin, compleet doorzeefd wordt met kogels, omdat ze wel eens gezien zouden kunnen worden als een vijandige bende. Een routesysteem ziet verschillen niet, zou je kunnen zeggen.

Auteur: Lisa Weeda, meer over Lisa en haar werk vind je op www.lisaweeda.nl