Tia Maria



verhaal 3: tia maria

19 Juli 2017,  Rio de Janeiro, Brazilië  –  deel 3 van de 9-delige verhalen reeks.  

Op mijn eerste vrije middag in de wijk nodigt Adrienne, een vriendin van Iris, ons uit voor lunch in de favela. Adrienne woont nu een jaar in de communidade Cantagalo-Pavão-Pavãozinho. Na tien minuten steil omhoog lopen, waarbij ik mijn kuiten langzaam voel verzuren, zien we haar staan in de bocht van de hoofdweg. Adrienne heeft de echte favela-stijl: strakke hotpants, een mooi felgekleurd shirt en geel-groene slippers, met daarop de Braziliaanse vlag. Haar weave ziet er chique uit, bij elke stap die ze zet zwaait haar grote bos haren van links naar rechts. We lopen achter haar aan een zijstraat in, richting het politiebureau. In de straat leunen bouwvakkers tegen een net gemetseld muurtje en bestellen agenten met mitrailleurs over hun schouders koffie en broodjes bij een bar. Er scheurt een opgevoerde motortaxi voorbij. Voorbij het politiebureau is een overdekt gebouw, waarvan de bouw nooit is afgerond. De betonnen stutpalen van de bovenverdiepingen zijn nog te zien, er zijn geen ramen of deuren, alleen open verdiepingen van cement en beton. De begane grond van het gebouw lijkt het meest voltooid te zijn. Er zit een thaiboksschool en een hele rij kleine woonhuizen met tralies voor de ramen. In dezelfde rij zitten ook twee kapperszaken en een kleine bibliotheek. Uit elk huis en elk winkeltje klinkt andere muziek. Op de achtergrond klinken de klappen en stoten uit de thaiboksschool. Alles in de wijk vormt samen een muziekstuk: een melodie, een ritme, de baslijn. Adrienne slaat linksaf en neemt een trap naar beneden.
‘Hier is het,’ zegt ze, ‘het restaurant van Tante Maria: Tia Maria.’

We zijn vroeg, elf uur. Er is nog niemand. Maria komt uit de keuken gelopen. Ze draagt een grote grijze doek om haar hoofd, een zilverkleurige rok, roze slippers, een vrolijk shirtje met een print en een grijs vest. Ze sjokt zoals oudjes dat doen: kalm en tevreden, met wiegende heupen. De muren van haar restaurant zijn bedekt met schilderingen van pannen, borden vol eten en een gigantische adelaar, die neerdaalt met achter zich een zonsondergang. 
‘Ga zitten, ga zitten.’ 

Ze gebaart naar een grote tafel met bierbanken. Maria legt een wit tafelkleed met een bloemenpatroon over de tafel. We trekken met zijn drieën het kleed recht. 
‘Het eten kost dertien reais per persoon,’ zegt Tia Maria. We knikken. 
‘Oké Tia.’ Omgerekend naar euro’s is dat €3,50.

Ze verdwijnt in de keuken. Met het gerommel van pannen en deksels op de achtergrond, kijken we in stilte uit over de lagere delen van de favela. In de verte ligt het strand van Ipanema. De wijk is rustig, stil. Soms duikt er een gekleurde vlieger in ons blikveld, in de verte gaat een scooteralarm af, ergens horen we kinderen joelen en een bal tegen een muur botsen. Als alles goed gaat, ligt er een serene kalmte over de wijk: een deken van rust en gemoedelijkheid. Na een uur zet Tia Maria het eten op tafel: een pan met gehaktballen in saus, bakken met rijst, bonen, aardappelpuree en een soort crunchy couscous, farofa. De farofa gaat over de bonen en de rijst. Als toetje krijgen we versgeperst mangosap. De combinatie van de lieve Tia Maria, het wachten en het uitzicht, maakt de lunch tot de beste maaltijd in maanden.

Ze gebaart naar een grote tafel met bierbanken. Maria legt een wit tafelkleed met een bloemenpatroon over de tafel. We trekken met zijn drieën het kleed recht. ‘Het eten kost dertien reais per persoon,’ zegt Tia Maria. We knikken. 
‘Oké Tia.’ Omgerekend naar euro’s is dat €3,50.

Op weg naar beneden rijdt een politiewagen ons tegemoet. Uit elk raam van de politiewagen steekt een machinegeweer naar buiten. De agenten zijn schietklaar, hun vingers rusten op de trekkers van hun geweren, een van de vier agenten beweegt het wapen soms mee met een passerende wijkbewoner. ‘Drie keer per dag rijdt er een patrouille naar boven,’ zegt Iris. ‘In het begin is het gek, maar als je dit een paar keer hebt gezien, schrik je er niet meer van.’ 

Ik kijk naar de bewoners die de wagen ongeïnteresseerd gadeslaan, alsof ze naar de herhaling van een slechte televisie-show kijken. ‘Soms lopen er onverwacht een aantal agenten de hoofdweg op,’ zegt Iris, ‘ze proberen een beetje te praten met de bewoners. Ze zijn zenuwachtig en houden alles scherp in de gaten. Ze komen vaak met z’n zessen. Een paar kijken omhoog, langs de huisjes de wijk in, op zoek naar verstopte look-outs van de bendes. De rest kijkt naar wat er voor hen gebeurt, op straat. Soms dagen dronken mensen hen uit, dan gaat het weleens mis, richten ze hun geweer op die dronkaards en op de mensen die er omheen lopen. Een tijd geleden liep ik achter zo’n man. Als de politie begint te dreigen, staat alles opeens stil. Een machinegeweer van bijna anderhalve meter lang op je gericht, is een heel raar gevoel. Je hart stopt.’

Ik kan voelen wat Iris bedoelt. Sinds de kalme en gemoedelijke lunch bij Tia Maria is er iets veranderd. Nu de agenten met hun wagen de hoofdweg omhoog rijden, hangt er een spanning in de straat, alsof de lucht uit de wijk wordt gezogen en we voorzichtiger moeten ademen. Het voelt alsof er elk moment iets kan gebeuren, alsof iemand een aansteker net te dicht bij een lont houdt, iets elk moment kan exploderen.  

‘Als de agenten door de wijk lopen, voelt het anders dan als ze in die auto zitten,’ zegt Adrienne, ‘één schot en de shit is aan.’ 

Tijdens de patrouilles blijft de polícia op de hoofdweg, vertellen Iris en Adrienne. Ze gaan de steegjes niet in, daar ligt de kans op een conflict. Gaan ze de stegen wel in, dan is er iets aan de hand: dan wordt er iemand gezocht of moeten ze ergens een partij drugs uit een huis halen. Het is een kat- en muisspel tussen de gewapende eenheden van de overheid en de drugsbende Commando Vermelho. De bende mag niet uit de wijk breken. Wat binnen de wijk gebeurt moet binnen de wijk blijven, als een vacuümverpakking die heel stevig dicht moet worden gehouden. Klapt er iets, dan ontstaat er een gat dat direct dichtgeduwd moet. De bewoner van de favela moet op de morro blijven, de rijkere inwoner van Rio de Janeiro op het asfalto. Dat is sinds de jaren ‘40 de verdeling. Op hetzelfde moment is het niet per se zo dat de bendes uit de wijk willen klappen. De morro is ook een fort dat vrij ondoordringbaar is voor mensen van buitenaf. 

Breekt de pleuris echt uit, dan moet de polícia plaatsmaken voor BOPE. BOPE (Batalhão de Operações Policiais Especiais) kun je vergelijken met een SWAT-team. Het embleem van deze speciale eenheid is een schedel waar een mes in is gestoken. Achter die schedel kruisen twee revolvers elkaar. Het mes staat voor het motto van BOPE: ‘overwinning over de dood.’ BOPE (zeg: Boppie) komt in busjes en met pick-ups. In de laadbak van de pick-ups staan leden van de eenheid in vol ornaat: uniform, mitrailleur, kogelvrij vest, pistool, kisten. 

Samen met Adrienne en Iris loop ik de wijk uit, we groeten een aantal agenten dat aan de voet van de communidade bij een andere politiewagen staat. We steken drie straten over en lopen het strand van de Copacabana op. De ijle lucht is weg, hier, op het platte gedeelte van de stad,  waar dure hotels uitkijk bieden op het water en hun rug naar de favela keren. Hier voelt het leven en het tempo anders dan drie straten eerder. We lopen door de branding, staan stil. We kijken, met de oceaan in onze rug, naar de kleine kleurige huisjes op de heuvel.
De afstand is absurd klein, maar zo groot tegelijk.

Auteur: Lisa Weeda, meer over Lisa en haar werk vind je op www.lisaweeda.nl